Jurgen Veenstra

Dit is een interview met een muzikale duizendpoot, één van de sleutelfiguren uit de groninger muziekscene in de jaren negentig. Jurgen Veenstra wordt op 4 september 1964 geboren in Veenoord, zuid-oost Drenthe. Na de middelbare school in Emmen wil hij per se naar Groningen. Om muziek te maken! In Groningen gebeurde het allemaal. Ik ging voor het eerst naar Vera met mijn leraar geschiedenis van de middelbare school, die hield ook van The Birthday Party. Tijdens dat concert werd ik gegrepen. Ik stond helemaal vooraan, maar al na één nummer was ik drie rijen achteruit gegaan, zo eng vond ik het! Die gekte op het podium, die bevlogenheid, ik vond het eng, maar tegelijkertijd wilde ik er bij in de buurt zijn, er deel van uitmaken. Wist ik veel dat die band volledig op de heroïne zat. Een biertje en een blowtje, dat was mijn carriere tot dan toe. Een vriend van me zat op de Sociale Academie en die zei dat ze daar niet zo heel moeilijk deden als je niet veel op school kwam. Dus ik ging ook naar de Sociale Academie, zodat ik muziek kon gaan maken. En dat lukte. In mijn eerste jaar richtte ik mijn eerste bandje op: Swindlers, samen met Paul Stolp (But en Blanc) op gitaar, Pieter Visser (Mean Machine) op bas en een drum machine natuurlijk, dezelfde als die van Sisters of Mercy. We speelden nummers van The Sound, Joy Division, Killing Joke en the Stranglers. Het eerste en enige optreden tijdens de introductieweek was een succes! Ik had ook meteen een vriendinnetje na dat optreden.

Kraakpanden en Cassettebandjes

Die Paul Stolp was een grote inspirator voor me. Een heel bevlogen gitarist en hij had een soort coolheid over zich waar ik gigantisch tegenop keek. Met hem begon ik toen ook al te freaken met de viersporenrecorder, van die studiodingetjes. Daar is eigenlijk de basis gelegd voor de interesse in electronische muziek. Die tijd, de jaren '80, is voor mij echt de tijd van cassettebandjes. Die klonken ook zo verdomd geweldig, zo'n mysterieuze sound met die ruis er bovenop, dat vind ik nog steeds te gek eigenlijk. En de vrijheid van dat hele cultuurtje. Er waren hier in de stad ook allemaal kraakpanden en in het keldertje had je dan een cassettebandjeswinkel. Onder het WNC heeft toen ook zo'n winkeltje gezeten volgens mij. De eerstvolgende band na die Swindlers was The Union of Concerned Mothers, dat was met Loekie (Wiefferink, Nautic Radio) en Thuur (Caris, Jammah Tammah). Het was een vrije improvisatieband, want we hadden al vrij snel door dat het met echt liedjes maken niks zou worden, dus dat werd flink jammen met elkaar. En daar heb ik geleerd met tekst te improviseren. Want ik had alleen een microfoon vast en iedereen stond te improviseren, dus ik moest het met woorden doen. Ik heb dat daarna nog eens met een bandje gedaan, Coupdefacto heette dat. Met Coupdefacto deden we ook vrij freaken, maar dan wel op een New Wave manier, met van die tribal-achtige voortdenderende drums, krassende gitaartjes en dan vooral heel geforceerd zingen. Nogal pretentieus allemaal. Toen ik een tijdje later die tapes weer luisterde dacht ik echt dat ik er geen zak van kon. Toen ben ik er ook eventjes mee opgehouden en ben heel veel concerten gaan bezoeken. 'Je houdt wel heel erg van muziek', dacht ik, 'maar dat wil nog niet te zeggen dat je een zanger bent!' Ik moest gewoon mijn stem nog vinden.

Ruige Tijd

Daarna ben ik in Café Fumeurs beland, aan de Nieuweweg. 1985 of 1986 moet dat ongeveer geweest zijn. Daar was het echt van de rauwe punk. Ik stond er achter de bar en ging ook al snel naar U.K. Subs en The Damned en zo luisteren. Voor mijn doen begon toen echt een heel ruige tijd: vet zuipen, snuiverij en allerlei experimenten. We hingen ook veel rond in Simplon. Ik drukte daar posters en Ricky (van Duuren - Moonlizards, Straaljagers) en Tuppus (Henk en het Huis) waren daar grafisch vormgever. Simplon was ook de thuisbasis van de Boegies. Op een gegeven moment vroeg Dikkie (Smid) mij voor een band. Dikkie zat toen al in een miljoen bandjes en ik vond hem eerst heel eng, hij zag er echt uit als Sid Vicious, met van dat zwarte piekhaar. We gingen oefenen bij het Popburo (later Gogo), tegenover Simplon en we maakten van die opgefokte ouwe punk. Toen we moesten optreden bedacht Dikkie de naam: Sid's Overdose. Verschrikkelijk vond ik dat, maar de poster werd al gedrukt, dus daar zaten we aan vast. Dat eerste optreden was in Simplon en dat was eigenlijk voor het eerst dat ik op een echt podium stond. Dat met die eerdere bandjes was allemaal op feestjes en zomerkamp en weet ik veel wat. Maar Simplon was echt. De hele scene stond in de zaal, en dat was doodeng. Dus ik was bloednerveus. Ik dacht dat iedereen heel wat verwachtte omdat ik in Fumeurs af en toe best een druktemaker was. Maar goed, toen stond ik daar op dat podium en was op slag zó verlegen, ik geloof zelfs dat ik zoiets stoms heb gezegd als: 'Is everybody happy?'. Dus na dat optreden wilde ik er eigenlijk al meteen weer mee stoppen. Maar, we hadden best goed gespeeld en de nummers waren goed, dus er kwam nog een optreden, bij mijn weten in de Benzinebar. En toen heb ik het wèl gedaan: helemaal uit mijn plaat! En dat was een droom. Dat ik ondanks mijn angst toch zo uit mijn dak ging dat heeft bij mezelf eigenlijk iets doorbroken. Nu wist ik in ieder geval dat ik het kon.

Voorneuriën en husselen

Sids Overdose heeft op een gegeven moment een wijziging ondergaan. Peter Millenaar (The Boobs, Jammah Tammah) ging drummen en Derk Jan Woldrik The Boobs) speelde solo-gitaar, Loekie Wiefferink speelde bas. We wilden ook melodieuzer werk gaan maken. Dat was in de tijd dat bands als Hüsker Dü opkwamen. Iedereen binnen de band kwam met melodietjes aan. Bij mij ging dat zo: als ik op de fiets zat, dan kreeg ik allemaal deuntjes in de kop. En dan kwam ik die oefenruimte binnen: 'sst sst, ik heb iets in de kop!' en dan ging ik Dikkie voorneuriën wat hij moest spelen op de gitaar. En Dikkie stond er dan altijd zo bij te kijken van: 'dit heb ik nog nooit meegemaakt'. Maar ik had in een interview gelezen dat Captain Beefheart zijn band ook altijd voorneuriede, dus dat moest kunnen. In die periode ontdekte ik ook hoe je structuren in songs aanbrengt. Dat er schema's waren, en dat je daar creatief mee moest omgaan. Dat je ze husselde op een manier die de song leuk maakte. Ik luisterde veel naar platen en daar stal ik dan van, niet de melodiën, maar de schema's. Zo ontdekte ik hoe een song werkte. En dat vond ik helemaal fantastisch, dat gaf een grote vrijheid. We hebben met Sids Overdose vrij veel gespeeld in de stad en er is ook nog een nummer verschenen op GAS, een verzamelplaat van groninger bands met onder andere Broertje Dood, Hophead en Henk en het Huis. Waarom Sids Overdose uiteindelijk gestopt is weet ik niet meer. Maar ik weet wel dat ik altijd volledig één was met Dikkie, die deed precies wat ik van een gitarist verwachtte, lekker de bocht uitvliegen, maar wel met beatlesque melodieën en melancholie. En ik kreeg Ricky ook al in de peiling, die speelde zo prachtig bas, heel 'songgericht' en melodieus, dat had ik nog niet veel gehoord. En dat sloot precies aan bij onze wens om harde melodieuze muziek te maken. Het bleek al gauw dat dat klopte.

Moonlizards

Met Moonlizards speelden we eerst nog met Gert Alles (Rock 'n Roll Perverts) op drums. We hadden al gauw een paar songs en een eerste optreden tijdens een benefiet voor The Rhythm Pigs in Simplon. Wij hadden toen nog geen naam en noemden ons The Pig Rythms. Het was geweldig. Max Palfenier van het Nieuwsblad van het Noorden schreef dat we een 'veelbelovende band' waren met 'zeer gedreven presentatie' en dat was voor mij natuurlijk fantastisch omdat ik door al mijn verlegenheid heen was gebroken en iemand schreef daar notabene over. Het tweede optreden was in het voorprogramma van Soul Asylum, als de Asylum Souls natuurlijk. In de kleedkamer met zo'n grote amerikaanse band kon ik nooit een woord uitbrengen, ik keek veel te veel tegen ze op. Gelukkig hadden die andere jongens daar geen last van. Maar goed, daarna wisten we het eigenlijk wel: deze band gaat wat doen, dit gaat iets voorstellen. Dat voelde je gewoon. Later bedacht Ricky de naam Moonlizards en dat paste ook precies, vond ik. Die naam had net als de muziek iets donker en hards, maar ook iets psychedelisch, een beetje hippie-achtigs.

Touren

In 1990 hebben we onze eerste plaat opgenomen Fooom!, met Adam Wachters als drummer. En die plaat die deed het 'm meteen. Hij bracht ons bij de VPRO in de studio. En daar kreeg ik alweer last van hetzelfde, ik durfde geen woord meer uit te brengen, zo onder de indruk was ik. Op radio 3, bloody hell! Ricky deed het interview. En dat terwijl ik binnen de band hartstikke dominant was. Ik zat zó vol met ideeën en die wilde ik allemaal spuien zonder er op te letten hoe de anderen daar op reageerden. Per abuis is toen ook op het labeltje van de eerste plaat komen te staan dat ik alle songs had geschreven en dat was helemaal niet zo. Ziedaar hoe dominantie werkt... We hebben echt veel opgetreden, in alle Nederlandse clubs en ook in Duitsland, Italië, België, Polen, Zwitserland, Portugal en Oostenrijk. We waren vrij freaky bezig. Ik was zo vaak mogelijk stoned. Dat gaf nog wel eens problemen waar ik verder niet op in wil gaan, maar het was echt één groot avontuur. Van songs schrijven kwam tijdens het touren niks maar we hebben wel veel gezien en meegemaakt. Van hashhonden bij de grens van Zwitserland tot de mafia in Rome. Ik had het niet willen missen, maar ik vond het ook zwaar. Wekenlang met dezelfde mensen is eigenlijk niks voor mij. Stoned zijn en drinken was mijn oplossing om er tegen te kunnen. Ik heb me vaak onmogelijk gemaakt. De band stond regelmatig op springen als er weer stress was, maar de optredens zorgden dan steeds weer voor verbroedering. Wat ik echt te gek vond van dat touren was dat je voelde dat de band een geoliede machine werd. Daardoor konden we ook veel meer gaan freaken. En dat hebben we daarna steeds meer gedaan. De interesse werd steeds breder. De songs kregen meer rare randjes, dat hoor je ook wel op die plaat daarna: Stradivarius Transistor (1993). Ook die plaat was weer een succes en de band was inmiddels zo ontzettend goed ingespeeld op elkaar, het kon allemaal niet gek genoeg. Voor de tweede keer weer dat hele circus van touren met o.a. The Wipers en Dead Moon, radio-optredens en ga zo maar door. Maar de fans die we hadden gekregen met de melodieuze songs op Fooom! konden de gekte op de nieuwe plaat niet allemaal waarderen. "Jullie zijn de Moonlizards niet meer", kregen we wel eens te horen.

Leeg

En op een gegeven moment was ik leeg. Mijn inspiratie was weg. Onderling ging het veel te vaak over dingen om de band heen, labelgedoe of de boekhouding. Het boterde niet meer zo en er kwam niet veel materiaal meer bij. Ik ben in 1996 uit de band gestapt. Ik zat toen op het toppunt van vervreemding, van mezelf en van het hele muziekwereldje waar ik in zat. Opeens was ik het zat, al die rock-'n-roll. Ik was mijn grote liefde kwijtgeraakt en lichamelijk was ik ook stuk. Het was te ver gegaan. Toen ben ik een jaar gaan werken op de Batavia-werf in Lelystad, waar ik niemand was, buiten de schijnveiligheid van het muziekwereldje. Het was een soort therapie. Ik moest uitzoeken wie ik was, want ik was meer dan alleen maar muzikant en druktemaker. En het mooie bij die Batavia-werf was dat het daar niet over muziek ging. Het ging ook niet over scenetjes en er wel of niet bij horen. Het waren allemaal verschillende mensen daar en samen bouwden we die boot en hadden we eetclubs. Ik vond het echt een zegen om daar mezelf te kunnen zijn en vrienden te maken buiten de muziekscene. Eenmaal terug in de stad ging ik wel weer muziek maken. Maar eerst in mijn eentje, gewoon thuis met field-recordings en electronica fröbelen als ERECTROMORPH en wat akoestische liedjes op gitaar spelen. En ik begon met acteren. Van alles heb ik gedaan, films voor Pavlov Media, Requiem voor een Stadhuis, acteren bij theatergroep Degedoe, ik ben nog fietsenmaker geweest en meubelmaker. En ik was inmiddels vader geworden, dus er moest ook gewoon brood op de plank. Dat verdiende ik als trainingsacteur, nu nog trouwens. Het leven buiten de muziek was leuker aan het worden. Een kindje krijgen heeft daar ook zéker bij geholpen. Muziek was geen halszaak meer en ik besefte mij nu dat er ook een manier is om muziek te maken zonder dat wereldje zo serieus te nemen, dan hoef je er niet aan onderdoor te gaan. Maar ik begon het hebben van een bandje wel te missen.

Terug naar de muziek

Ik kwam Dikkie tegen en ging weer wat met hem proberen. En zo rond 2001 zijn we samen een band gestart: Black Fag met Thomas de Jager (drums, Simmer), Jacob Feenstra (gitaar, Simmer) en Petur de Boer (bas, Skelter). Later werd dat Kempes met Teade Jagersma (Captain Nemo, Mobile, Sandfly, The Drugs), Martin de Ruiter (T99, Gravediggers, The Drugs) en Petur de Boer. Met Kempes hebben we ook een plaat gemaakt en daar kwamen we weer mee op de VPRO-radio en op de BBC bij John Peel. Daarnaast hadden we met dezelfde mensen en blazers en Maria Tuni op zang ook nog een project waarbij we alleen maar vette ouwe soul speelden 'Bob Sleigh and the Family Snow' (2002-2004). Dat begon echt puur voor de lol voor een Vera Zomercafé, maar we zijn er toch nog een tijdje mee doorgegaan. We dachten met een wat commerciëlere inslag eindelijk eens wat geld te kunnen verdienen met muziek maken en we hadden allemaal veel plezier in het spelen van die obscure soul nummers. De optredens waren een feest, maar dat geld verdienen is er trouwens nooit van gekomen. Rond die tijd ben ik ook gevraagd om een jaar bij Pavlov Media iets te doen als artist in residence. Daar heb ik enorm veel geleerd over muziek maken op de computer en alle programma's. Uiteindelijk heeft dat geresulteerd in een performance, die ik Music for Tongues heb genoemd, waarbij het publiek geblinddoekt zat en door een persoonlijke butler om de zoveel tijd hapjes kreeg gevoerd. Live bewerkte ik daar mijn ERECTROMORPH-composities bij zodat die daar precies bij aansloten. Alle zintuigen werden hierbij aangesproken: gehoor, tast, reuk, smaak, behalve het zicht, want ik wilde nu eens niet zelf in de spotlight. Music for Tongues is op plaat uitgebracht en bijzonder goed ontvangen. Als ERECTROMORPH heb ik later nog opgetreden met cellist Jur de Vries, met improvisaties voor laptop en cello. En door ERECTROMORPH ben ik ook bij Nautic Radio terecht gekomen, waar ik eens in de twee weken op dinsdag, samen met een gast, drie uur lang zoveel mogelijk experimentele muziek draai zonder gepraat tussendoor. Dwarse radio.

Reünie

In 1998 Heeft Tom Holkenborg (Junkie XL) er voor gezorgd dat de Moonlizards eventjes weer bij elkaar kwamen. Hij programmeerde een festival in Nighttown, Rotterdam en wilde per se dat de Moonlizards daar zouden optreden. Dus er kwam een reünie! In Rotterdam stonden wij na een jaar of zes stilte voor het eerst weer bij elkaar op het podium. We hadden strak en gedisciplineerd gerepeteerd. Zelfs twee nieuwe nummers gemaakt. De oude feel was er al snel weer. Die magie, die we ooit hadden, hoe we één konden zijn als we ons verloren in jams op het podium. Dat was er gewoon weer. Na het optreden in Nighttown kwamen Mauro Pawlowski (Evil Superstars, dEUS) en Tom Holkenborg ons de hand schudden, ze waren onder de indruk. We hebben het toen niet echt onderling uitgesproken, maar bij mij maakte dit optreden heel wat los. Eventjes leek het erop dat er een vervolg in zat. We repeteerden verder en traden nog eens op in Vera. Maar daar is het helaas bij gebleven. Het mooie is wel dat we deze tweede keer veel positiever uit elkaar zijn gegaan dan de eerste keer. Misschien wel doordat er weer een beetje hoop was. Bij mij is sindsdien in ieder geval wel een stiekem verlangen blijven bestaan om met deze band weer iets te doen. Die twee nummers die liggen er nog, nooit uitgebracht! Dat zou een leuk EPtje kunnen worden...

Nawoord

Sinds 2006 is Jurgen bezig met Ruud Slingerland (Hairy Love Gum), waarmee hij de liefde voor intieme muziek deelt. Beiden leveren songs aan die gewoon in de huiskamer worden uitgewerkt. Het jarenlang met zin en tegenzin rondzwerven in de Groningse muziekscene werpt nu zijn vruchten af: veel klinkende namen hebben hun medewerking al verleend aan dit project, wat voorlopig tot 'The Black Hills' is gedoopt. De plaat moet eind 2008 verschijnen. Tevens komt dan Tamango uit, een plaat van Meindert Talma waarop Jurgen een groot deel van de zang voor zijn rekening neemt. Ook plannen voor een speelfilm liggen in het verschiet.

Tekst: Barbara Lampe/Poparchief Groningen 2007