Danny Malawau

Uit:  'Rockin' Ramona.

"Iemand, die de rock & roll periode geweldig kan relativeren is de Molukse zanger Danny Malawau. In de jaren vijftig werd hij bekend in het Haagse en Amsterdamse uitgaansleven als 'de zingende kelner'. Hij kwam vaak Ambonezen en Indo's tegen, die bij de marine of de H.A.L. zaten en met mooie Amerikaanse kleren de blits kwamen maken in Amsterdam. Dat wilde hij ook: hij ging varen. Toen hij terugkwam in 1960 hoorde hij dat zijn moeder ziek was. Hij verhuisde naar het Molukse kamp Marum bij Groningen om haar te verzorgen. Hij kreeg een baantje bij de Fongers fabriek en werd bijna tegen wil en dank zanger bij The Black Shadows.

Danny: ik was de grote stad gewend, muziek maken met deze en gene, vrienden uit alle windstreken. Toen ik in het kamp moest gaan wonen dacht ik dat ik gek werd. Een vriend van me zij, Danny , je moet eens uitgaan. Wat uitgaan, zei ik, hier in Groningen ? Jongen wat ik in Amsterdam heb meegemaakt, dat bestaat hier niet. Maar vooruit, ik ging een keertje mee en toen zag ik een optreden van The Black Shadows met een zangeres. Zij is op een gegeven moment weggegaan bij die band. Een tijdje daarvoo was ik op de radio geweest in een programma dat 'live'was opgenomen in de Bamboebar van Hans Gruyters in Amsterdam. Ik was daar toevallig en zong bij die gelegenheid een paar nummers uit de West Side Story. Dat hadden die muzikanten uit Groningen gehoord en ze vroegen mij toen hun nieuwe zanger te worden.

Maar alleen maar rock & roll in Shadows-stijl dat beviel me niet. Mijn genre is jazz, Nat King Cole, Sinatra. Ik zou me dus moeten aanpassen aan de rock & roll, dat leek me heel apart. Ik vond het te goedkoop, te simpel. Ik was gewend goeie stemmen te horen, en die imiteerde ik, zoals van Andy Williams. Nou toe maar, zei ik tegen de Black Shadows, als het niet klopt dan ben ik weg, ik wil me niet schamen als ik op het podium sta. Na een paar repetities zei ik , sorry jongens, het komt niet goed. Zij vonden het prachtig wat ik deed, maar in mijn ogen was het niks. Ik bleef maar commentaar geven op hun spel, want ik vond, dat ze geen verstand van muziek hadden.

Toen kwam er een optreden in Leek en ze vroegen of ik mee wilde doen. Ik dacht, nou ja O.K. die boeren daar hebben toch niks in de gaten. We deden wat rock & roll, wat Hollandse liedjes, een paar walsjes, maakte niet uit. Maar er kwamen meer optredens. Zo groeide ik er toch een beetje in en ik begon naar rock & roll platen te luisteren. Je gaat het steeds beter aanvoelen. Toch trok ik steeds weg naar de jazzkant. Voor de band klonk het lekker, voor mij niet. Want iemand die goed luisterde, hoorde het verschilen dan stond ik voor schut vond ik. Ik hoopte altijd dat er niemand was die verstand van muziek had. We moesten een keer spelen in de Mambobar in Groningen. Daar zit iemand aandachtig te luisteren en dan weet ik dat het een muziekliefhebber moet zijn. Bleek een persman van het Nieuwsblad van het Noorden te zijn: of hij even met me mocht praten. Ook dat nog, ik liep toen in de ziektewet. De volgende dag stond ik in de krant met foto en al: de zingende kelner! Gelukkig zijn ze er bij Fongers niet achtergekomen, anders was ik de pineut geweest.

Ik probeerde de Black Shadows af te brengen van het overdreven imiteren van de Shadows en ik probeerde ze te stimuleren zichzelf muzikaal te ontwikkelen. Zo kregen we een andere sound, ze groeiden meer naar mij toe dan ik naar hun. Toen hebben we de afspraak gemaakt dat als we in een café zouden spelen waar echt rock & roll gevraagd werd, Johnny van Room zou zingen en ik drummen; deden we het nachtclubcirquit, dan zong ik en speelden we ook cha cha cha's, mambo's, jazz en walsjes. In Duitsland bij voorbeeld. Daar speel je eersteklas clubs, voor mensen die van muziek houden. Daar voel ik me op mijn plaats.

We kregen andere aanbiedingen in Duitsland, steeds verder weg. Maar we waren net allemaal getrouwd, op een na, en de vrouwen zeiden, blijf maar liever in Nederland. We hebben ons toen tot Nederland beperkt en speelden alleen in de weekends. Ons geld ging in de kas om er een installatie en instrumenten van te kopen, op afbetaling. Ik kreeg per keer vijfentwintig gulden voor benzine en de moeite. We wekten allemaal doordeweek. Het was ons bij het spelen niet om het geld te doen, dat verdween in de bus en de installatie. Als we niet getrouwd waren geweest was het anders gelopen. Mijn eerste vrouw kon het niet schelen dat ik in een band zong, ze vond het prima. Maar stel je voor, een van de bandleden zit ergens met een vrouw en zijn eigen vrouw komt binnen en ziet hem. Dan heb je de poppen aan het dansen,  ja toch? Dat gebeurde dus in Sappemeer. Zodoende is het verboden door de vrouwen : die kwamen bijelkaar en gingen klagen. En het repeteren thuis ging altijd te hard. Ja, wij wilden onze spullen uitproberen. Het was iedere keer wat.

Vroeger was het mode dat een zaal- of caféhouder een bekende naam als trekpleister contracteerde, bijvoorbeeld Oscar Harris, en daarna een band die de rest van de avond moest vullen. Vaak waren wij dat. Cuby & the Blizzards, die verschrikkelijk populair waren in het noorden, speelden vaak maar een kwartiertje en daarna wij, de hele middag, de hele avond. En die lui werden goed betaald. Maar vraag niet hoeveel alleen al hun installatie kostte. Als avondvullende band moest je een groot repertoire hebben. Ik heb dus geprobeerd de Black Shadows in een all-round richting te duwen. Maar ze wilden door op de rock. Toen ben ik gestopt. Ik wilde groter worden, ik wilde weg uit het noorden, ik wilde ook in Amsterdam en Rotterdam uitgenodigd worden. Als je goed bent, wordt het wel doorverteld en dan wordt je wel uitgenodigd. Ik heb tegen de jongens gezegd, jullie moeten veel harder repeteren, je moet alles volgen wat er nieuw uitkomt op de radio, anders ben je 'out'. Dat kwamen ze tekort. Logisch. Ik kan geen noten lezen maar ik heb feeling voor zang. Een instrumentalist moet noten kunnen lezen, je moet een ondergrond hebben om goede muziek te kunnen maken. Dat ontbrak bij ons. Dat wist ik vanaf het begin, maar ik bleef, omdat het mijn vrienden waren. En om te ervaren wat de rock eigenlijk was. Als een repetitie slcht ging, wilde ik weg en dan zeiden ze, doe niet zo flauw man. Ik kwam iedere keer terug.

In de rock & roll tijd was het zo: ze wisten en kenden niets anders dan rock & roll. Ik noemde ze altijd 'dompies'. Die mensen dachten dat ze goed speelden en hadden een air van, wij hebben de rock & roll uitgevonden. Terwijl het nog maar pas het begin was. Hun repertoire is zo beperkt. Er zijn zoveel bandjes opgericht in die tijd alleen maar om aandacht te trekken. Al;les leek op mekaar: keihard, erbovenop. Het was de mode, ieder café  wilde een bandje hebben, het liefst een band van naam.  Dus probeerden al die bandjes naam te krijgen door aan talentenjachten mee te doen. En iedereen had zijn eigen aanhang, een soort buurtmuziek was het.  Met mond-tot-mond reclame. De buurtbands boksten tegen elkaar op.  Dat was het: een mode. Met allemaal meelopers en naapers. Toen de Beatles en de Kinks kwamen werd het nog erger hier in het noorden. Ze bestonden niet lang die bands, gemiddeld hooguit een jaar. Ze speelden keihard en dan zei de cafébaas, sorry jongens, 'out'. Als je een echte muzikant bent, vraag je aan de baas, wat scheelt er aan ons? Dan zegt die man b.v., nou dit is mijn publiek, kunnen jullie dit of dat spelen, een beetje aanpassen aan de mensen? Maar zij wilden hun eigen repertoire, dat vonden ze interessant weet je. Zodoende zijn ze stuk voor stuk kapot gegaan."

Bron: Rockin' Ramona. Door Lutgard Mutsaers.